| |
| JOHAN VERMINNEN OVER LIEDJES & WIELRENNEN | Bron: Het Nieuwsblad (maart 2011)
Zanger Johan Verminnen wordt dit 60 jaar en natuurlijk wordt die verjaardag flink gevierd. Hiervoor brengt Verminnen de sterkste van zijn onverwoestbare klassiekers samen en vult die aan met andere pareltjes uit zijn rijkgevulde loopbaan van 42 jaar. Een gulzige greep uit de totale oogst van honderden liedjes en meer dan dertig albums.
Een van die liedjes heet ‘De Vlaamse Ardennen’, een nummer dat Verminnen ooit schreef naar aanleiding van de veertigste verjaardag van, toen nog, de Omloop Het Volk. Een nummer waaruit zijn grote liefde voor de koers blijkt en nog meer het respect voor zijn helden op de fiets.
Was je al van kindsbeen af wielerliefhebber of is die liefde voor de koers pas later gegroeid?
Ik ben altijd al een fan van het wielrennen geweest. We hadden thuis geen televisie en dus ging mijn vader de koers bekijken in zijn stamcafé ‘De Nachtegaal’ in Wemmel. Daar had je een van de weinige televisietoestellen in het dorp en dat was dus dé attractie voor het café. Daar ging hij kijken en ik mocht mee. Ik mocht cola drinken en kreeg een stuk chocola. We genoten van de koers en vonden het fantastisch. Ikzelf was een grote fan van Rik Van Looy, we spreken over de periode nog voor Merckx alles en iedereen naar huis reed. Die periode heb ik bewust meegemaakt. Ik herinner me het legendarische wereldkampioenschap waar Beheyt en Van Looy de twee topfavorieten waren. Dat duel verdeelde het café in twee kampen met fans voor beide helden. Het was Van Looy die me het meest aansprak, ik was jong en dan kies je haast automatisch voor een winnaar. Van Looy was dat. Hij won bijna alles zoals Merckx later dat ook zou doen. Ook van Merckx werd ik dus maar een grote fan.
Nu zoveel jaar later volg je de koers op een andere manier wellicht. Ben je iemand die vaak live gaat kijken langs het parcours van een wedstrijd?
Zeker en dus vooral voor de Ronde van Vlaanderen kom ik buiten. Daar wil ik maar al te graag ter plaatse bij zijn. Op die dag spreek ik af met vrienden in Galmaarden in de nabijheid van de Bosberg en daar staan we dan langs de omloop. Eens de renners voorbij gefietst zijn, rennen we naar huis om de aankomst in Ninove te bekijken op tv. Het is een jaarlijks feest met vrienden en die traditie hou ik graag in ere. Natuurlijk is een koers bekijken op tv anders, je beleeft het op een andere manier. Langs de kant van de weg op de Bosberg zitten we samen met een massa mensen te wachten en als de koers in aantocht is, merk je de wielergekte van de mensen en dat is ongelofelijk. Er staan dan mensen te schreeuwen. De Ronde is een volksfeest en daar hou ik wel van. Het feit dat het zoveel mensen in beweging brengt, is toch wel typisch voor het wielrennen.
Vlaamse Ardennen
Op wegen waarop wielrenners zwoegen
Met hun benen glimmend onder het ’t vet
Op de lijdensweg der kampioenen
Reden we vrolijk van Ronse naar Gent
Begrijp je dat mensen zo kunnen opgaan in het hele wielergebeuren?
Het wielrennen spreekt tot de verbeelding omdat het anders is dan voetbal. Zelfs de renner die als laatste die lastige kilometers aflegt wordt bejubeld. Het zijn helden waarmee iedereen opgroeit en opvallend het is Vlaams en ook wel wat Italiaans, want koers is passioneel. We hebben zoveel grote kampioenen gehad en elke generatie van Briek Schotte over Eddy Merckx tot nu Tom Boonen, zijn coureurs die niemand onberoerd laten. Als ik ga ter plaatse kijken supporter ik ook wel, maar ik ga niet bedroefd worden als mijn favoriete renner niet gewonnen heeft. Als Cancellara Boonen op de muur eraf rijdt, dan zal hij wel de sterkste zijn. Wat een renner trouwens die Fabian, eigenlijk is dat een Flandrien, maar een slimme want hij woont in Zwitserland samen met zijn bankrekening. Ook Boonen is niet dom. Als halve Fransman laat hij zijn bankrekening in Monaco aandikken.
Zie je in het peloton anno 2011 nog Flandriens rondfietsen?
Ik denk het wel. Ik vind dat Boonen toch wat onderschat is, ook al is hij de laatste jaren misschien wat van zijn pied de stal gevallen. Hij heeft toch superindrukwekkende prestaties geleverd. We moeten hem nu niet laten vallen omdat Cancellara op dit moment de betere coureur is. Er is trouwens niet alleen Tom, je hebt ook Devolder, de man die minder woorden zegt dan dat hij trapt op zijn pedalen, als ik het zo mag zeggen. Ook dat is een Flandrien in mijn ogen. En natuurlijk is er Ludo Dierckxsens, een prachtige coureur die misschien niets gewonnen heeft maar toch iedereen heeft laten genieten. Ludo zette zich altijd op kop, de rug gebold en tegen de wind in vechtend. Hij zorgde steevast voor spektakel. Hij had nooit de bloemen maar hij was wel een formidabele renner.
Op de stenen hun namen geschreven:
‘allez Eddy!’ of ‘Rudy veel moed !’
De regen had ze doen verbleken
Maar lezen kon je die namen nog goed
Het was zo’n dag waarop de vogeltjes fluiten,
een lauwe zon zacht de landschappen streelt
Terrasjes stonden heel dromerig buiten,
een dag waarop je de zorgen vergeet
En bier van paters uit strenge abdijen
smaakte zo lekker als de duurste wijn
We lieten ons daar door Bacchus verleiden
Betere vrienden konden er niet zijn
Betere vrienden konden er niet zijn!
Volg je nog andere wedstrijden dan de Ronde van Vlaanderen?
Natuurlijk is ook Parijs-Roubaix top, net als de Ronde van Frankrijk. De bergritten vind ik haast legendarisch. Dat zijn mijn wedstrijden, maar uiteraard heb ik ook respect voor wie Luik-Bastenaken-Luik wint. Ik kan voor die wedstrijden een hele zondagmiddag opofferen tot ergernis van iedereen in mijn naaste omgeving (grijnst). Ook bij de Ronde van Frankrijk waarbij de eerste 150 kilometers van een vlakke rit misschien wat vervelend zijn. Een groepje is weg, je weet dat het peloton ze gaat bijhalen en dat liefst op vijf kilometer van de aankomst zodat er kan gespurt worden om de overwinning en toch blijf ik de hele rit kijken. Ik hou ook wel van het commentaar van meneer Wuyts die in de vlakke ritten uitvoerig alles beschrijft wat er te zien is. Zo zie je kastelen uit de middeleeuwen, maar soms denk ik, zou ik niet beter een fles kraken dan naar al die uitleg over die chateaus te zitten luisteren. Maar voor alle duidelijkheid, ik heb veel respect voor commentatoren want ze moeten soms zes uur lang de mensen live entertainen. Je moet het maar doen.
Je bent ook voetballiefhebber die soms naar Anderlecht gaat kijken. Zie je parallellen met de koers of alleen maar verschillen?.
Bij voetbal krijg ik de indruk dat de spelers al moe zijn als ze twee wedstrijden per week moeten betwisten. Wielrenners rijden drie weken aan een stuk en hun trainingen zijn dan ook nog eens tien keer straffer. Ze malen duizenden kilometers af door alle weersomstandigheden. Bij voetballers wordt de wedstrijd al afgelast als er een beetje sneeuw op het veld ligt, bij renners is dat toch een ander paar mouwen. Kijk maar eens wat ze in de Ronde van Italië uitgevonden hadden vorig jaar. Via een aarden weggetje moesten de renners naar de top van de col, dat is toch niet te geloven?
Op wegen waarop wielrenners zwoegen
Tien keer de heuvel op en de kassei
En aan de eindstreep nog drie dikke zoenen
En lokale schone met bloemen erbij
In het decor van Vlaamse Ardennen
Vergaten wij heel even tijd
Ontsnapten aan ’t jagen en rennen
De stres van de drukdoenerij
Een tafel met vloekende kaarters
En gegiechel van schoolgaande jeugd
Met zicht op een smoorverliefd paardje
’t gaf ons leven die middag weer kleur
de bomen stonden vol geurende bloemen
De lente hing overal in de lucht
De geur van het zweet van het ploegen
De zwaluwen waren al terug
Helaas wordt wielrennen ook vaak in contact gebracht met dopingverhalen. Kan je dat wat relativeren?
Doping is een trieste zaak, maar dat is een fenomeen van alle tijden. Ook de grote kampioenen van toen die beweren dat ze nooit doping hebben genomen, hebben meegedaan maar om ze nu te beschuldigen dat is iets anders. Ik vind dat renners die aan het spul zitten of gezeten hebben, sowieso gestraft moeten worden. Als Contador zoveel keer in de Tour betrapt werd, kan het toch niet alleen aan dat stukje vlees liggen dat hij opat. Ik vind dat een behoorlijke lange schorsing en een serieuze geldboete een must zijn in die gevallen zodat de renners voelen dat sport iets anders is dan vervalsing. Het is ook goed dat ze de controles beter maken, denk maar aan Ricco, die hadden ze ook onmiddellijk te pakken toen hij een tweede keer valsspeelde.
Fiets je zelf ook nog of ligt die carrière achter de rug?
In mijn jeugd verdeelde ik kranten met de fiets. Voor en na de school reed ik rond met een bakfiets en in die periode was ik geweldig in vorm. Tegenwoordig blijft daarvan nog een matige fietser over (grinnikt). Aan de kust rij ik soms nog wel eens met een gehuurde fiets langs de dijk maar dat is het zowat. Ik organiseer wel elk jaar ‘de grote prijs Johan Verminnen’ en dat op de dag van de Onnozele kinderen, op 28 december dus. Op die dag verzamelen twaalf mensen uit mijn entourage, waaronder mijn muzikant Leo Caerts jr., en een aantal bevriende fans, in mijn huis waarna ze van Hansbeke naar Wenduine fietsen langs het kanaal en via Brugge. Dat doen ze in weer en wind over een afstand van goed 110 km. Eens terug aangekomen vieren we de heldendaden met eten en dranken zodat alle opgedane gezondheid weg is. Ik ben enkel organisator, ik overhandig de prijs (grijnst). De winnaar is altijd Jan, een niet onaardige fietser uit het Waasland die vroeger nog echt gekoerst heeft. Hij laat iedereen in de steek op tien kilometer van de aankomst. Dat is de afspraak en bij aankomst wordt er eerst iets gedronken in het dorpscafé waar ik op hen wacht. Jan wint altijd : de koers wordt immers een beetje geregeld, dat mag je zeggen, en wel voor veel geld (schatert).
Op een dag waarop wielrenners zwoegen
Met hun benen glimmend onder ‘t vet
Op de lijdensweg der kampioenen
reden we vrolijk van Ronse naar Gent
reden we vrolijk van Ronse naar Gent!
Iedereen kent je als de zanger van talloze klassiekers maar heb je ooit een liedje gemaakt met het wielrennen als thema?
Ik heb ooit een lied gemaakt naar aanleiding van de veertigste verjaardag van de Omloop het Volk (hij zingt stukje uit de tekst). Een legendarisch singletje dat toen enkel aan sponsors werd uitgedeeld. In dit nummer, dat enkele jaren geleden in een andere versie uitgebracht werd, schets ik allerlei sfeerbeelden die er in dit mooi stukje Vlaanderen tussen Ronse en Gent te beleven vallen. Voor de ware kenners: natuurlijk verwijzen de voornamen Eddy en Rudy in het liedje naar de grootse renner aller tijden Merckx en de betreurde ex-wereldkampioen Rudy Dhaenens die in mijn buurgemeente Nevele woonde.
Steven Verhamme
|
| Interview Goed Gevoel dec 010 | Bron: Goed Gevoel (dec 2010)
De drie sleutelmomenten in het leven van Johan Verminnen
Zestig wordt hij in mei, een moment waarop velen gaan terugblikken. En dat is voor Johan Verminnen niet anders. De passie is nog groot, maar de twijfel wordt dat ook: ‘Een groot deel is al voorbij, wat nu nog komt moet dus goed zijn.
IJveren voor een artiestenstatuut:
Heel lang geleden heb ik de vereniging ZAMU opgestart, een vereniging voor zangers en muzikanten. Ik ben met die vereniging begonnen vanuit een soort woede. Ik stelde vast dat artiesten aan hun lot overgelaten werden; er bestond wel een statuut voor hen, maar het was onwerkbaar. Ik heb het toen in mijn hoofd gehaald dat er een nieuw statuut moest komen. Dankzij onder meer Guy Verhofstadt, Frank Vandenbroucke en Laurette Onkelinx - hoe vreemd die combinatie nu ook mag klinken – en mijn ijver is het uiteindelijk gelukt.’
‘Veel van mijn collega’s zullen allang vergeten zijn dat ik daarvoor gevochten heb, en ik wil er ook geen pluimen voor op mijn hoed steken. Maar stel dat ik morgen onderweg naar een optreden verongeluk, dan hoop ik toch dat niet alleen mijn liedjes een aandenken zullen zijn, maar dat er ook iemand zal zeggen: ‘Hij heeft elf jaar van zijn leven gegeven om een statuut voor artiesten te maken’. Niet dat dat statuut volmaakt is, integendeel, maar het vormt wel een basis om te vervolmaken. Nu hebben artiesten tenminste de keuze: ze kunnen zelfstandige worden of zich inschrijven bij een soort van interimkantoor, ze hebben ook recht op stempelgeld... Muzikanten die nu beginnen zijn nu meer beschermd dan ik destijds was. Om Bram Vermeulen te citeren: ‘Als je in je leven een steen één millimeter in de stroom hebt verlegd, dan heb je tenminste die millimeter gedaan’. Het statuut is mijn millimeter, en daar ben ik fier op.’
‘De woede die ik voelde, die drang om mensen te verenigen, dat heb ik van mijn vader. Het zit in mijn genen. Naast een bescheiden man was mijn vader ook een groot syndicalist. Hij was arbeider, maar had eigenlijk kunnen studeren. Zijn droom was om architect te worden, maar zijn ouders hadden de financiële mogelijkheden niet om hem te laten studeren. Mijn vader heeft mijn strijd voor het artiestenstatuut helaas niet meer meegemaakt, maar ik weet dat hij trots zou geweest zijn, meer dan op mijn liedjes. Dat verenigen van mensen, ijveren voor een gemeenschappelijk doel paste meer bij hem.’
‘Ook als gedelegeerd bestuurder van de auteursvereniging Sabam probeer ik die steen te verleggen. Nog veel mensen begrijpen niet dat auteursrechten het loon zijn van mensen die iets gecreëerd hebben. Als ik ook hier kan bijdragen, hoe klein ook, dan heb ik dat toch gedaan. Als ik maar iemand kan uitleggen dat downloaden mag als het op een legale manier gebeurt, maar dat je door illegaal te downloaden eigenlijk iemands loon steelt.’
‘Ik leid al jaren een dubbelleven: ik combineer het artiestenleven met dat van een leven op kantoor. Van beide werelden heb ik heel veel geleerd, maar het is niet evident om het allemaal te blijven combineren. Het is te veel hooi op één vork. Ik speel nog altijd honderd concerten per jaar, de laatste tijd ook vaak in Nederland, het lijkt of ze me daar nu ook ontdekken. Ik hou dit dubbelleven niet eeuwig vol, het is tijd om een keuze te maken, tijd voor de jonge generatie om over te nemen en misschien wel een nieuwe invalshoek te bedenken. Maar ik zal het auteursrecht wel mijn hele leven lang blijven verdedigen, daar blijf ik mee voor strijden.
Deelnemen aan ‘Ontdek de ster’:
In 1969 nam ik deel aan het programma ‘Ontdek de ster’ (Een talentenjacht op de toenmalige BRT, nvdr.) Ik werd toen laureaat, maar de hoofdprijs ging uiteindelijk naar iemand anders, van wie niemand achteraf nog gehoord heeft. Een van de mensen die toen in de jury zaten, was Toon Hermans. Hij zei over mij: ‘Die jongen, die gaat het maken’. Dat iemand als Toon Hermans dat toen tegen me zei, dat moet een van de meest belangrijke en gelukkige momenten in mijn leven geweest zijn. Hij geloofde in mij, ik moest wat ik daar getoond had maar verder uitbouwen. En dat is exact wat ik sindsdien gedaan heb, intussen al 42 jaar lang. Ook na de tv-show had ik nog contact met Toon. Niet zoveel, maar we schreven weleens brieven en ik mocht ooit optreden op zijn verjaardag. En wat opviel: hij bleef dat zeggen, dat ik talent had.’
‘Na ‘Ontdek de ster’ is voor mij de bal aan het rollen gegaan, al was ik lang voor die wedstrijd al met muziek bezig; vanaf mijn tiende wist ik dat ik wilde zingen. Vanaf toen zat ik in groepjes; we speelde covers maar ook al eigen nummers. Gelukkig zijn die niet bewaard, waarschijnlijk zijn ze niet om aan te horen. (lacht) Ik herinner me een nummer over racisme, het ging over de zwarten in Amerika die nog niet als volk erkend werden. Dat zijn dingen waar ik toen mee bezig was.’
‘Mijn carrière uitbouwen ging met vallen en opstaan, al waren de hoogte- en dieptepunten soms met elkaar verbonden. Zo heb ik er altijd voor gekozen om met getalenteerde muzikanten samen te werken en vormde ik op een bepaald moment een groep met onder andere Eric Melaerts. Ik schreef die muzikanten telkens in, zodat ze het statuut van bediende kregen, maar het maakte ook dat de groep vrij duur was om te boeken. Daardoor kreeg ik minder werk dan collega’s en dreigde ik zelfs failliet te gaan. Ik ben met die groep moeten stoppen en in de plaats maakte ik samen met Tars Lootens de voorstelling ‘Zanger zonder meer’. We vielen terug op een piano en een stem, maar net dat werd uiteindelijk een succes. Het dieptepunt van die muzikanten te verliezen werd ineens een hoogtepunt. Natuurlijk was dat niet altijd het geval, er zijn veel ontgoochelingen geweest. Maar altijd weer was er die engelbewaarder die me - terwijl ik helemaal niet in de hemel geloof - zelfs uit de diepste put wist te halen. Het duurt bij mij nooit lang voor ik weer licht aan het einde van de tunnel ga zien. Hout vasthouden dat dat ook in de rest van mijn leven zo blijft.’
‘Op 22 mei word ik zestig. We zijn die verjaardag nu al volop aan het vieren met een tournee. We vieren op voorhand om zeker te zijn dat we kunnen vieren. ‘Songbook van mijn hart’ is ook al uit, drie cd’s met zestig liedjes. Op mijn verjaardag komt nog een box uit met alles wat ik ooit gemaakt heb. Als je zo’n collectie aan het samenstellen bent, ga je toch even nadenken over jezelf. A big part is gone, een groot deel is al voorbij. Wat nog moet komen, moet dus zo goed mogelijk zijn; waarom heeft het anders zin om door te gaan? Daar ben ik op dit moment fel mee bezig. Ik wil verder gaan als artiest, maar het moet wel waardig blijven. En dat is niet zo simpel, de druk is groot.
De geboorte van mijn dochter:
Een topmoment in je leven is wanneer je eerste kind geboren wordt, en ik heb er maar één, mijn dochter Pauline. Je ziet een nieuw leven ontstaan, dat voortkomt uit liefde. Dat drukt je naar beneden en stuwt je tegelijk naar omhoog. Het drukt je naar beneden omdat je beseft dat je niet uniek bent, een kind krijgen overkomt miljarden mensen. Maar het is voor jou als persoon wel een uniek moment en dat stuwt je omhoog.’
‘23 jaar geleden werd Pauline geboren, in datzelfde jaar stierf mijn vader. Mijn vader heeft mijn dochter niet gekend, zij hem niet. Voor mij was het een samenvatting van het leven: vreugde en verdriet vallen samen. Ik zing erover in het liedje ‘Een beetje meer alleen’: ‘Mijn dochter werd geboren, mijn vader die ging dood. Zo worden mensen ouder, zo worden kinderen groot. Verdriet is zoals vreugde, lach door je tranen heen. Een beetje minder jeugdig, een beetje meer alleen.’
‘Eigenlijk had ik altijd gedacht dat ik geen vader kon worden, dat dat niet kon in combinatie met mijn beroep, met mijn afwezigheid. Maar ik werd het wel, en het was iets heel vreemd dat me overviel: een verantwoordelijkheid die je tot aan je dood zal dragen. Het leerde me ook te relativeren: Sabam, die liedjes; uiteindelijk was het ook niet zo belangrijk als mijn dochter. Vader worden deed me ook terugkijken, deed me beseffen dat ik maar een schakel in een lange ketting ben. Dan denk ik terug aan mijn grootmoeder die handschoenenmaakster was en mijn grootvader die kleren maakte. Aan mijn andere grootvader die putten groef op zoek naar water. Dan denk ik aan mijn ouders die weinig middelen hadden, maar die hun vijf kinderen wel de kans hebben gegeven om te studeren. Mijn vader nam me destijds vaak mee als alibi: hij vertelde mijn moeder dat hij met mij zou gaan wandelen, om vervolgens met mij naar zijn stamkroeg te trekken. Dan trakteerde hij mij op cola en chocolade; ik denk nog altijd aan hem als ik dat drink of eet. Ik hoor hem ook nog zeggen: ‘Ik investeer niet in bakstenen, maar in de opvoeding van mijn kinderen.’ Dan verslikte ik mij in mijn cola: ‘Gaat die mij opvoeden?’ (lacht) Als je kind geboren wordt, denk je aan alles wat voor jou gebeurd is. Je denkt aan je stamboom, die niet alleen op familie geënt is. Bij mij horen bijvoorbeeld ook Ramses Shaffy, Jacques Brel en Léo Ferré tot die stamboom, zij hebben me als artiest heel erg beïnvloed. Toen Pauline geboren werd, ging ik beseffen: nu komt een andere generatie, wat zal ik voor die generatie betekenen? Ben ik wel een goed referentiepunt?’
‘Hoe mijn dochter mij ziet of hoe zij later naar mij zal terugkijken, weet ik niet. Waarschijnlijk denkt ze: ‘Die moeilijk vader van mij, die steunt me niet genoeg’. Maar hoe je over iemand denkt is tijdsgebonden, over vijf jaar ziet ze het misschien helemaal anders. Ze zal alleszins nooit moeten zeggen dat ik haar heb tegengehouden; ik heb haar altijd vrijgelaten. Dat heb ik van mijn vader, ook hij zei: ‘Doe maar, maar kom achteraf niet klagen’. Maar ik ben zeker niet de ideale vader geweest, niet de ideale man zoals Bart Peeters op zijn nieuwe plaat zingt. Daarvoor ben ik te veel afwezig geweest.
|
| Ik ben bang voor de toekomst | Bron: De Tijd (22/06/2007)
De Tijd vrijdag 22 juni 2007
Johan Verminnen moet zich waarmaken als gedelegeerd bestuurder van auteursrechtenvereniging Sabam
‘Ik ben bang voor de toekomst’
( tijd)- Zes maanden zit Johan Verminnen(56) al op de stoel van gedelegeerd bestuurder van Sabam. De uitdagingen zijn niet gering:het negatieve imago van de auteursrechtenvereniging(strenge politieagent en log ambtenarenschip) bijsturen, en tegelijkertijd een verdere omzetdaling voorkomen. Bovendien staat het auteursrecht wereldwijd onder druk door het digitale tijdperk. Men mag mij over vier jaar op mijn realisaties afrekenen, zegt Johan Verminnen. ‘Als ik misluk, word ik opnieuw fulltime zanger’
De zanger Johan Verminnen werd begin januari verkozen tot gedelegeerd bestuurder van de auteursrechtenvereniging Sabam. ‘Toen men mij aan het personeel voorstelde, ben ik het podium opgeklommen en heb ik geroepen: U kent mij, ik ken U niet. Dus kom ik U allemaal bezoeken!Dat heb ik de eerste vier maanden gedaan, van departement naar departement gegaan. Dit is het resultaat(toont een dikke werkmap). De mensen mochten een lot trekken uit een urne. Met de winnaars ontbeet ik elke vrijdag op mijn bureau. Dat waren geen kaderleden, maar mensen van de werkvloer. Dat leidde soms tot grappige situaties:mensen die verlegen waren omdat ze bij de gedelegeerd bestuurder op de koffie mochten, of die in geen 30 jaar op de achtste verdieping waren geweest. Hier werken meer dan 300 mensen, dat is een massa, ik heb dat onderschat.’
De zanger leidt naar eigen zeggen een boeiend, maar verschrikkelijk leven. ‘Ik sta om zes op in Hansbeke’, vertelt hij. ‘Ik ontbijt, sta om kwart voor zeven in de file en met een beetje geluk ben ik om negen uur op kantoor. Mijn dag bestaat vooral uit vergaderen en van de ene naar de andere afspraak hollen. Ik werk in principe tot één uur in de namiddag. Maar meestal ben ik hier tot vier uur, behalve als ik moet optreden. Dan pas ik mijn afspraken aan zodat ik om twee uur kan vertrekken. Tussendoor behandel ik een resem klachtenmails van collega’s die denken:’ Nu die Verminnen daar zit, kan ik misschien meer auteursrechten krijgen’(lacht).’
Het kan toch niet de bedoeling zijn dat een gedelegeerd bestuurder een eerstelijnsklachtendienst is? Bent U niet te veel een lobbyist?
Johan Verminnen:’Ja, maar was ik vroeger ook al. Ik heb als voorzitter van artiestenvereniging Zamu 13 jaar gevochten voor een werkbaar sociaal statuut voor zangers en muzikanten. Toen zat ik ook overal te vergaderen, maar dan niet op mijn eigen kantoor, maar de bureaus van ministers en middenveldorganisaties.’
‘ Dat engagement zit er gewoon in. Mijn vader was vakbondsman. Hij was graag architect geworden, maar dat kon niet. Er was voor hem geen geld om te studeren. Hij is mecanicien geworden, maar kreeg na een tijdje problemen met zijn longen. Hij vond uiteindelijk een job bij de gemeente Wemmel, maar is altijd geëngageerd gebleven:betogen en van zijn oren maken.’
Een gedelegeerd bestuurder moet toch meer manager zijn dan een vakbondsman?
Verminnen: ‘Ik voel me helemaal geen manager. De gedelegeerd bestuurder van Sabam staat tussen de raad van bestuur en de algemeen directeur. De raad van bestuur stippelt de strategie uit, ik controleer of het management die strategie naar behoren uitvoert. Een van de grote uitdagingen is de 30. 000 leden van Sabam tevreden te houden. Dat zijn allemaal scheppende kunstenaars(auteurs, componisten, filmmakers,enzovoort)die voor een belangrijk deel van hun inkomen afhankelijk zijn van dit bedrijf.
De inkomsten van Sabam staan onder druk. In 2006 werd een omzet van 215 miljoen euro gerealiseerd, de eerste daling in jaren. Bent u bezorgd?
Verminnen: ‘ Ik ontken niet dat we in een permanent gevaar zitten. Ik ben bang voor de toekomst. Ten eerste staat het auteursrecht internationaal onder druk. Mensen willen niet meer betalen voor hun muziek. Veel erger is dat de Europese Commissie de markt van de auteursrechten wil liberaliseren en aandringt op Europese licenties. Daardoor worden de auteursverenigingen uit verschillende landen concurrenten van elkaar. Het territoriaal principe, iedereen baas in eigen land, staat op de helling. We gaan met onze buitenlandse zusterorganisaties moet strijden om de macht.’
‘Het grote gevaar van zo’n liberalisering is trustvorming: de auteursrechtenverenigingen uit de grote landen zullen contracten sluiten met grote uitgeverijen en platenmaatschappijen. De maatschappijen uit kleine landen dreigen in zo’n situatie filiaaltjes te worden de grote machtsblokken. Sabam is te klein, we zitten ons eentje te klooien. Vandaag vertegenwoordigen wij het wereldrepertoire: van Bach tot Django Reinhardt. Als EMI of een andere grote entiteit zijn repertoire aan één grote maatschappij toevertrouwt, vrees ik voor een versnippering van de rechten en van het repertoire. Ik ben niet tegen het concurrentieprincipe, maar we moeten wel kunnen blijven bestaan.’
Wat wilt u aan deze dreiging doen?
Verminnen:’ Weet u dat Sabam de eerste auteursrechtenvereniging was die een pan-Europees contract sloot? In 2004 gingen we met de platenmaatschappij Universal in zee: Sabam int in heel Europa de mechanische rechten van de artiesten die bij Universal onder contract liggen. Op dat pad moeten we verder: internationaliseren en samenwerkingsverbanden aangaan met zusterverenigingen uit andere kleine landen. Met Nederland zijn de gesprekken trouwens volop bezig.
Hoe belangrijk is het Universal-contract voor Sabam?
Verminnen:’Het houdt een erkenning van de knowhow van Sabam in. Het contract is goed voor 60 miljoen euro aan inkomsten, maar moet straks opnieuw onderhandeld worden. Ik hou mijn hart vast, er zijn kapers op de kust. Ik schat onze kansen op 50 procent.
’Het contract zorgt voor een grotere kostenefficiëntie. Dankzij dat contract bedraagt ons onkostenpercentage maar 11 procent van de inkomsten. Exclusief dat contract komen we aan 19 procent,wat nog altijd heel goed is. Sabam heeft een paar jaar geleden een interne reorganisatie doorgevoerd met de bedoeling de kostenratio onder 20 procent te duwen.’
Als de inkomsten verder dalen, moet u dan ingrijpen?
Verminnen:’Ik ga er alles aan doen om iedereen hier aan boord te houden. Mensen die voor Sabam werken, zouden een volledige carrière moet kunnen maken. U vindt dat misschien ouderwets, maar voor mij is dat een solidair principe. Van afvloeiingen wil ik momenteel niet weten en bij outsourcing van personeel verlies je vaak een pak knowhow. Dat is mijn opvatting, maar ik moet toegeven dat sommige leden van mijn raad van bestuur daar anders kunnen over denken. Om alle mensen aan het werk te houden, ga ik met mijn Waalse collega Paul Louka op zoek naar nieuwe taken, externe opdrachten. Dat kan via Europese samenwerking, maar ook door onze diensten aan te bieden aan andere organisaties. Een eerste stap is gezet. Sabam zal heel waarschijnlijk de backoffice leveren voor Belartis, de nieuwe beheersvennootschap voor naburige rechten’(zie pagina 5).
En zo krijgen we toch nog even de bedrijfsleider in Johan Verminnen te horen.
Verminnen:’Weet u, ik heb met negen muzikanten en begeleiders mijn carrière gemaakt, mensen die ingeschreven zijn en in onderaanneming voor mij werken. Ik heb geleerd om in het kleine Vlaanderen als een kleine zelfstandige te overleven. Met een prachtige grondstof: materiaal dat uit mijn hoofd komt. Dat is een product dat misschien aan marktschommelingen onderhevig is, maar waarvan men de bron niet kan droogleggen. Ik ben heel mijn leven een kleine kruidenier geweest.’And I survived the boogie’, 37 jaar aan een stuk.’
Sabam heeft het imago van een log ambtenarenschip en een strenge politieagent. Hoe gaat u zo’n bedrijf moderniseren?
Verminnen:’Ik heb een hekel aan het woord ‘modern’. Maar misschien hebt u een punt. Wat is Sabam voor de publieke opinie? Een organisatie die geld komt ophalen. Wat men niet weet, is dat we dat niet zomaar doen, maar wel om het loon van de kunstenaars te verzekeren. Maar goed, het probleem zit bij de regionale agentschappen die dat geld innen. Tien van de dertien kantoren zijn zelfstandige agentschappen waarover Sabam geen controle heeft. Die kantoren werken heel efficiënt, ze coveren 95 procent van ons grondgebied, maar hun aanpak is misschien soms iets te orthodox, als u begrijpt wat ik bedoel. Daar komt verandering in. Tegen 2011 moeten alle regionale kantoren filialen van Sabam zijn , met eigen personeel. Zo kunnen we onze eigen, klantvriendelijke methodologie opleggen.’
Er zijn ook klachten dat Sabam zijn leden te laat zou uitbetalen.
Verminnen:’Vaak ligt dat niet aan ons. Sommige rechten komen direct binnen, op andere is het langer wachten. Maar er zijn ook klanten, zoals festivals en concertorganisatoren, die niet op tijd betalen. Je kan zeggen:’Maak die klant dan dood’, maar wij maken liever een afbetalingsplan. Wij kunnen moeilijk auteursrechten uitkeren als we het geld nog niet hebben.’
En hoe gaat het intussen met de artiest Johan Verminnen?
Verminnen:’ Ik ben en blijf een liedjeszanger. Dat is mijn corebusiness. Op dit ogenblik lijdt mijn corebusiness onder deze functie, want ik heb sinds 3 januari geen liedjes meer geschreven. Dat is pas iets om over te panieken.’(lacht).
‘Mijn mandaat bij Sabam moet jaarlijks herbevestigt worden, maar geef mij vier jaar en ik zal proberen om zaken te veranderen. Mijn secretaresse zegt:’Meneer Verminnen, gij komt hier fluitend binnen en zegt iedereen goedendag. Dat heeft hier nog nooit iemand gedaan.’ Op de dag dat ik stop met fluiten, word ik weer voltijds zanger’.
Thomas Peeters
Patrick Claerhout
|
| Andermans vragen | Bron: Allerlei (01/05/2008)
Andermans vragen
aan Johan Verminnen
Elke vraag is al een keer gesteld. Rails selecteerde honderden vragen uit talloze interviews en enquêtes uit het verleden. We kozen er zes uit en legden ze voor aan de Vlaamse zanger en liedjesschrijver Johan Verminnen (56).
Wat is voor u het allergrootste raadsel? (Piet Piryns aan Harry Mulisch, in Knack, 2001)
‘Waarom moeten mensen strijden om een volwaardig leven te kunnen leiden? Waarom begrijpen mensen elkaar niet wat beter? Maar voor de grootste vraag komen we toch op het ontstaan van de wereld en waar het met de wereld naartoe moet gaan. Kijk, bij een godsdienst is het eenvoudig: daar heb je het paradijs. Maar ik ben een vrijzinnig mens. Mijn paradijs zou eigenlijk hier op aarde moeten zijn. Maar het is er niet. Dat is het grootste raadsel: waar is mijn paradijs?’
Je hebt zoveel talent, waarom ben je nooit doorgebroken in Amerika? (Theo van Gogh aan Herman brood, in Een Prettig Gesprek, 1991)
‘Engelstalig zingen trekt mij in het geheel niet. Ik ben geboren in een van de voorsteden van Brussel. Op school werd zowel Frans als Nederlands gesproken. Die twee talen van mijn land zijn mij natuurlijk toegevloeid. Als je mij had gevraagd: waarom ben je geen grote ster in Frankrijk geworden?, dan zou ik antwoorden: ik heb in 1975 de wedstrijd van het belangrijkste Franstalige chanson in de wereld gewonnen en heb daarna als jongeman zeven maanden in Parijs gewoond. Ik heb het geprobeerd, maar ben er ontgoocheld geraakt door de hardheid van het bestaan. Ik ben teruggekeerd naar mijn eigen Vlaanderenland, en zo is het goed.’
Ik hoorde u zeggen dat België een braakliggend terrein is waar twee ongeciviliseerde gemeenschappen elkaar bestrijden in naam van een cultuur waar zij geen verstand van hebben… (Roland Lommé aan Jacques Brel, vooor de BRT, 1971)
‘Er zijn lieden die zeggen: we moeten het land opsplitsen. Terwijl ik me afvraag: we hebben een gezamenlijke solidariteit ten opzichte van Derdewereldlanden, waarom zou dan een solidariteit binnen één land niet kunnen bestaan? Omdat nu toevallig de economische as in Vlaanderen ligt en vroeger in Wallonië? Dat is voor mij onbegrijpelijk. De strijd tussen Franstaligen en Vlamingen is gelukkig niet gewapenderhand; in die zin verschillen we van de Ieren en de Taliban. Maar ik krijg er zo langzaamaan wel genoeg van. Mijn land is voor mij een eenheid; het is het land van Kuifje én van Suske en Wiske. Een surrealistisch land. Maar ik houd van dit land.’
Je hebt het altijd over je moeder – maar er zal toch ook zoiets als een vader geweest zijn? (Ischa Meijer aan Hans van Manen, in het Parool, 1992)
‘Ik heb het over mijn moeder omdat ik vooral mijn vader ben. Zo is het. En over wie dacht je dat mijn vader het altijd had? Over mijn moeder, natuurlijk! Zij zorgde dat in het gezin de eindjes aan elkaar werden geknoopt. ’s Zondags zaten we met z’n allen aan tafel, behalve mijn vader; die was nog met zijn vrienden aan het kaarten in het café, altijd te laat thuis voor de soep. Kreeg hij steevast van mijn moeder meteen het hoofdgerecht voorgezet. En wat was het dessert? Elke zondag een pudding die niet van smaak maar wel van kleur verschilde. Ik had een afwezige vader. En wat zegt mijn dochter nu: ik heb een afwezige vader. Ik maak dezelfde fouten als hij, ken dezelfde problemen; nu ben ik degene die te laat is voor de soep.’
Als u iets tegen het Nederlandse volk zou willen zeggen, wat zou dat dan zijn? (René de Bok aan Yasir Arafat, in Getuigen van Wereldgebeurtenissen, 1999)
‘Ik heb heel veel respect voor het Nederlandse volk. Het was tot voor kort ons grootste voorbeeld: een erg tolerant land. Maar het lijkt wel of de tolerantie de laatste vijf, zes jaar steeds minder wordt - terwijl ik niet geloof dat dat werkelijk in de aard van het volk ligt. Diep van binnen zijn Nederlanders zeer verdraagzaam. Mijn boodschap aan Nederland is: word weer het voorbeeld van een tolerant volk, alsjeblieft. Ha, het feit dat ze mij beginnen te accepteren, wil wel zeggen dat ze weer op de goede weg zijn.’
Wat is er nog te verlangen? (Frénk van der Linden aan Jos Brink, In Humo, 1990)
‘Ik heb altijd veel bewondering gehad voor Jos Brink. Een groot mens. Een voorbeeld van tolerantie en vredelievendheid. En een harde werker. Hij was predikant, iemand die werkte aan de grote mensheid. Als ik één verlangen heb, dan is het wel dat ik een klein beetje zou mogen ontwikkelen van wat Jos Brink in overvloed had: grootmenselijkheid.’
Onlangs verscheen van Johan Verminnen het verzamelalbum Over mensen, boten en steden: klassiekers aangevuld met enkele nieuwe liedjes.
|
| "Mijn dorp is mijn dorp niet meer'' | Bron: Het Nieuwsblad (Dirk Musschoot) (april 2006)
De roots van Johan Verminnen
Zanger Johan Verminnen (55) zingt liedjes over de plaatsen van zijn jeugd. Sinds enkele jaren schrijft hij daar ook boeken over, zoals Prinses van het Pajottenland (over zijn moeder) en Van Brussel naar de wereld (over onze hoofdstad). Ga met Verminnen naar Wemmel en hij zal je honderduit vertellen over hoe het daar vroeger was. Dirk Musschoot, foto's Pol De Wilde
,,Wij leefden als kinderen van rijke ouders terwijl wij altijd redelijk onbemiddeld zijn geweest. Mijn moeder heeft het altijd zo kunnen regelen. Vandaar dat ik haar prinses noem''
'We woonden op de Merchtemsesteenweg nummer 108, vlakbij de kerk. Een enorme tuin hadden we daar. Vandaag is die ingenomen door beton en door een stuk van een school. Maar toen! We hadden dat huis in vruchtgebruik van rijke mensen voor wie mijn moeder vanaf haar veertiende gediend had. Met witte handschoenen zonder morsen de soep opdienen, dat soort dingen.'',,Mijn moeder is van het Pajottenland, maar ze trok naar Brussel, naar de familie Marievoet in de Bériotstraat in Sint-Joost-ten-Node. Meneer Marievoet was leraar aan het conservatorium. Vlamingen die Frans spraken, afstammelingen van een Lakense orgelbouwer. Als in Sint-Goedele het Te Deum moest worden gezongen, met de koning erbij, was meneer Marievoet er de dirigent. Bij die familie heeft mijn moeder haar Frans en haar fijne manieren geleerd.'',,Die mensen hadden een buitenverblijf in Wemmel, op de Windberg. Een huis met geschiedenis, want de grote Vlaamse schrijver Maurice Roelants woonde daar voor hen. In dat huis heeft hij zijn meesterwerk Komen en gaan geschreven. In dat boek speelt mijn grootmoeder langs vaders kant een belangrijke rol.'',,'s Zomers ging mijn moeder met de familie Marievoet naar Wemmel, naar de buiten. Net voor de Tweede Wereldoorlog hebben ze zich daar definitief gevestigd. Had mijn moeder tussen twee natte onderbroeken van meneer Marievoet niet in de ogen gekeken van mijn vader die bij de Marievoets in het zwart aan het bijklussen was - hij maaide er het gras - dan was er vandaag van mij geen sprake geweest.'',,Wie was mijn vader? Jan van 't Jenevelken van Pruis! Jan Verminnen. Zijn vader, mijn grootvader dus, werd Jenevelken genoemd. Zijn grootvader, mijn overgrootvader, noemden ze Pruis omdat hij een snor had als de Pruisen.'',,Mijn vader en moeder trouwden en trokken in bij de familie Marievoet. Ze kregen drie kinderen, en toen kwam de oorlog. Mijn vader moest haar Duitsland. Na de oorlog zijn er nog twee kinderen geboren: mijn broer Paul, die ingenieur is en in Brazilië woont, en ik.'',,Later, als beloning voor haar werk, mocht mijn moeder in het centrum van Wemmel wonen, in een huis van de familie Marivoet. We moesten geen huur betalen, voor een huis dat evengoed van een notaris of een hoofdonderwijzer had kunnen zijn. Wij leefden als kinderen van rijke ouders terwijl wij altijd redelijk onbemiddeld zijn geweest. Mijn moeder heeft het altijd zo kunnen regelen - vandaar dat ik haar prinses noem - dat er van enige armoede nooit een spoor is geweest. Natuurlijk reed ik op een fiets van mijn oudere broer en gebruikte ik de schooltas die hij al had gebruikt, maar ik heb nooit gevoeld dat wij de kinderen waren van een eenvoudig arbeiderskoppel.'',,Moeder - ze wordt straks 97- is al twintig jaar weg uit het huis op nummer 108. Het doet vreemd, zo opnieuw voor die deur te staan. Ik herinner me dit huis als een plek vol warmte die nu helaas steeds minder warmte geeft. Mijn vader is dood, mijn moeder zit in een rusthuis. Ik heb een broer dood en een broer die ik zelden zie. Ik heb het geluk dat ik niet in dit dorp ben blijven hangen, waardoor ik het heb leren loslaten. Want dat is het leven: voortdurend loslaten.''***,,Ik heb een mooie jeugd beleefd, zoals zovelen van mijn generatie, denk ik. Er was één jeugdbeweging waar je automatisch lid van werd. Eén voetbalclub ook: Vlug Op Wemmel, waar ik de schoenen van mijn broer afdroeg. Er was één cinema, de Lido, waar ze alleen aftandse familiefilms draaiden. Eén keer per jaar was er in het openluchttheater in het gemeentepark een voorstelling van het Reizend Volkstheater, dat dan Jeanne d'Arc of zoiets speelde.'',,Ook één keer per jaar: een voordracht over de missies. Dat vond ik niet boeiend, dus trok ik vanaf mijn veertiende mijn parkajas aan en was ik weg, naar Brussel. Met de tram, het vredesteken op mijn jeans genaaid. Het dorp was te klein geworden, Brussel was de vrijheid!'',,Wemmel en Brussel waren toen al aan elkaar gegroeid. Als je de ringweg om Brussel overstak, was je bij de bollen van het Atomium, samen met de tetten van Koekelberg en van het Palais de Justice de drie erotische symbolen van de hoofdstad. Drie kilometer en je was in Brussel, zeven kilometer en je stond in het centrum. Mijn seksuele opvoeding heb ik genoten op het laatste stukje van de tram, want dat ging door de hoerenbuurt van het Noordkwartier. De vrouwen voor de ramen, met hun diepe décolletés, gaven ons de seksuele opvoeding die we thuis niet kregen.'',,Van daar ging het naar La Maison Bleue, de enige platenwinkel aan het Noord. Daar kocht je één plaat en stak je een tweede gratis onder je parka. Daarna gingen we in de undergroundcafés zoals Le Floriot, Le Petit Blanc en De Welkom. Daar dronken we zure witte wijn en luisterden we naar duivelse muziek, zoals de mensen van het dorp dachten.'',,Het was de tijd dat ik bij de Chiro was en na de bijeenkomsten of na de jeugdmissen op zoek ging naar de meisjes van de Chiro. De eerste vrijages en het hevige verlangen om snel ouder te zijn, want dan mocht je meer. Terwijl je vandaag opnieuw die adolescent van vroeger zou willen zijn.''***,,Elk jaar kom ik wel eens terug naar Wemmel om er op te treden. Dan zit de zaal voor de helft vol met mensen die ik ken van vroeger. Dat heeft iets. De mensen zijn er nog - hoewel, dat begint ook aardig te schuiven - maar het dorp Wemmel is weg. Wemmel is een slaapstad geworden, a suburb, een voorstad van Brussel. En dat gaat zo maar verder. Brussel breidt almaar uit, als een olievlek. Je ziet dat overal ter wereld: de steden schuiven op en het platteland verstedelijkt.'',,De bouwpolitiek en alle generaties voor ons zijn daar mee schuldig aan. De lintbebouwing, het gebrek aan open ruimte. Het zijn de politici voor ons en die van vandaag die dat allemaal hebben toegelaten. Doen wat je wilt, bouwen wat je wilt. Op het moment zelf klinkt dat sympathiek. Een duivenkot in zeventien verschillende kleuren? Doe maar! Maar nu kijken we daar naar en zeggen we: wat hebben we toch gedaan? Tja, te laat, hé!'',,Ik heb het dorp - sommige mensen moeten lachen als je vandaag Wemmel een dorp noemt - nog gekend met weggetjes waarop boeren met paard en kar voortbewogen. Aarden wegen en kasseiwegen - weet jij hier nog ergens één kassei liggen? Ja, nog één stukje. C'est tout. In de plaats hebben we hier EU-ambtenaren gekregen, chique villa's en dure auto's. De taal van dit dorp is veranderd. Het is Frans geworden. Dat is de realiteit. Dit dorp is niet meer het dorp van mijn jeugd. We zijn er niet op vooruit gegaan.''***,,Ik ging naar de gemeenteschool, een klein dorpsschooltje. Ik herinner me een van mijn onderwijzers, meneer Vanden Bempt. Die was vaak afwezig, want hij was de trainer van de nationale hockeyploeg. We hebben op het gebied van hockey nooit iets voorgesteld, maar hij is wel met zijn ploeg naar de Olympische Spelen in Melbourne getrokken!'',,Elke ochtend moest ik bij hem komen. Ga eens een stuk chocolade halen. Hij gaf me geld en ik verliet de klas, de speelplaats en de school. Elke dag ging ik voor hem naar de snoepwinkel om een stuk Martougin, een van de beste chocolades die er zijn. Melkchocolade met noten moest het zijn, in zo'n doorzichtig papiertje. Elke keer kreeg ik van hem een stukje. Formidabel!'',,Van meneer Vanden Bempt hebben we nog een tijd - uit plaatsgebrek, denk ik - in een lokaal van het gemeentehuis les gekregen. Helemaal afgezonderd van de school. Onze speelplaats was dan het gemeentepark. We voelden ons anders dan de andere leerlingen, dat sprak!'',,Na het lager onderwijs in Wemmel ben ik naar een katholiek college in Jette gegaan. In het begin met de bus, maar snel daarna met de fiets. De meisjes gingen met de tram. Wij fietsten achter de tram aan om hen te impressioneren. Jaja (mijmert).'',,Bij de poësis heb ik de school verlaten, naar de toneelschool, het conservatorium! Tijdens mijn eerste jaar daar nam ik deel aan de Ontdek de Sterwedstrijd van de toenmalige BRT. De rest is geschiedenis.''***,,In de kerk ben ik misdienaar geweest, 's ochtends vroeg, ook op weekdagen. Dan moest ik vroeger weg omdat ik de bus naar school niet mocht missen. Maar eerst glipte ik nog even de sacristie binnen om er van de miswijn te proeven.'',,In het Hooghuis heb ik vroeger vaak gejamd met muzikanten van allerlei slag. Hier dronk ik Rodenbach met grenadine, zo vlakbij huis en rechtover de kerk. Dat kon toen allemaal, ook al voelde ik overal de controlerende ogen van de buren. 't Is vandaag niet anders, ook in Hansbeke waar ik nu woon. Dan zeggen de buren: 't Was vroeg hé, vanmorgen? Dan zeg ik: Allez, was jij dan al wakker?'',,Ach, wat is Wemmel vandaag nog voor mij? Het is zoeken naar wat er niet meer is. Die keren dat ik van mijn moeder mijn vader moest gaan zoeken. Die zat bij de mensen, op café, waar hij een pint dronk en ik van hem een stuk chocolade kreeg. Wemmel? A la recherche du temps perdu. Ja, dat is het.''
© Corelio
|
| Testbericht | Bron: De Standaard (14/02/2006)
Het bericht komt hier.
|
| Over de overleden Bram Vermeulen | Bron: Het Nieuwsblad (06/09/2004)
Johan Verminnen kende de overleden Bram Vermeulen al heel lang. "We hadden dezelfde organisator en liepen elkaar wel eens tegen het lijf." In de loop der jaren groeide tussen de twee een diep respect. Vermeulen zong de titelsong van 'Spelers & Drinkers', als eerbetoon aan Verminnen. "Vermeulen was onwaarschijnlijk talentvol. Songs als 'Rode Wijn' koester ik heel diep in mijn hart. Pijnlijk is dat ik maandag (06.09 nvdr) had afgesproken. Ik hoorde het nieuws van zijn overlijden net op het moment dat ik het graf van Georges Brassens wou bezoeken (die ligt begraven in Z-Frankrijk: Sète). Van Bram Vermeulen zal ik me zijn mooie liedjes en weerbarstige stem herinneren. Een artiest met een eigen authentiek geluid, geen kloon van iemand anders..."
|
| "Als ik een prinses ben, dan ben jij een prins" | Bron: Gazet van Antwerpen (17/04/2004)
"...Blijkbaar hebben de jongsten van het gezin tot taak verslag uit te brengen van de geschiedenis", zei mijn vriend Stef Bos onlangs. "Jij bent de jongste van het gezin, ik ben de jongste. Frank Boeijen en Chiel Van Berckel (nvdr 'Wacko') evenzo." Stef heeft niet voor niks 'Papa, ik lijk steeds meer op jou' geschreven.
Het boek is een familiekronike. Het gaat dus ook over mij, maar niet te veel. Het is niet bedoeld als autobiografie. Moeder was heel gegeneerd toen ze de eerste 15 pagina's had gelezen. En nu: een boek! Terwijl zij een meisje was dat nooit de kranten haalde, zoals ik zing. Aan het eind van haar leven haalt ze die dus wel.(glimlacht)...
"...Het zit bij haar ingebakken dat ze onbelangrijk is. Terwijl precies mensen als mijn moeder de wereld laten draaien en geschiedenis schrijven. Niet de oorlogsvoerders en de lapzwansen in het parlement. Zij is veel meer prinses dan de vrouwen die de echte titel dragen..."
* Wat betekent 'moeder' voor jou? *
"Une mère, c'est comme la mer, elle vous prend dans ses bras. Un père, c'est comme la terre, il vous nourrit. Een moeder is als de zee, ze wiegt je in haar armen. Een vader is als het land, de aarde waarop je groenten teelt. De zee wast alles proper, wat er ook in haar terechtkomt. Ze is oneindig, kan smeerlapperij verdragen. Het land wordt afgevreten. Het zijn de moeders die regeren."
* 'Mijn moeder, ik zag haar wenen, maar alleen vanbinnen', zing je *
"Ik heb mijn moeder nooit zien huilen. Bij mijn moeder was het slikken en verteren. Ze sloeg haar verdriet als een sjaal om haar schouders."
* Lijk je op je moeder? *
"Uiterlijk lijk ik het meest op mijn vader. Innerlijk hoop ik op haar te lijken: voldoende om mijn hart groot genoeg te maken voor andere mensen. Ik besef dat het niet zo groot is als het hare. Bij mij zit er nog te veel rancune in. Mijn moeder kent geen bitterheid."
* Je beschrijft haar verder als sussend, troostend, zachte blik in de ogen, engelengeduld, een prinses *
"Ze kon aan mijn blik raden hoe het met me ging. Een ongelukkige liefde? Ze voelde het. Ze luisterde, troostte. En toch was zij de chef van de familie. Ze waakte als een kloek over haar kinderen. Ze was la mamma. Niet omdat ze het hoogste woord voerde, maar omdat ze het eigenlijk toch voor het zeggen had. Vader deelde de bevelen mee en die werden dan tot de juiste proportie gebracht door moeder. Zij regelde het volume. Haar gezin was haar geluk. Werken en nog eens werken, dat is steeds haar leven geweest. Pas op haar dertigste zag ze voor het eerst de zee!"
* Je trekt een parallel tussen je moeder die op haar veertiende naar Brussel trekt om te gaan dienen en je eigen vertrekt richting 'Vierhoog in de wolken' *
"Bruxelles, c'était mon Amérique à moi. Zestig jaar na mijn moeder trok ik net als haar naar de hoofdstad om mijn leven een nieuwe wending te geven. Ik heb toen vaak aan haar gedacht, hoe zij in diezelfde stad volwassen was geworden. Hoe ze zich, ver van haar ouderlijke huis, een weg baande door de jungle van de hoofdstad en het leven."
* Wat doe je tegenwoordig met of bij moeder thuis *
"Koffiedrinken. Ik spring dikwijls binnen op de middag. Of ze haalt de wijn boven die ik ken van alle communiefeesten: een St-Emillion. En dan vraag ik: 'Hoe is het met u? En met uw zus, tante Joske?' Zij vraagt dan: 'Moet ge geen geld hebben? Hebt ge te kort?' Soms ga ik tussen twee optredens door bij haar slapen. Dat is een hoogdag voor haar. Nog gaat het licht aan wanneer ik om drie uur 's nachts binnenstap. 'Of ik wat wil eten?' Tot voor kort verwende ze me met spek en eieren als ontbijt. Maar we hebben de gasfles laten ontkoppelen, omdat ze het vuur soms vergat uit te zetten."
* Is Johan nu het luisterende oor geworden? *
"Ik kan soms iets regelen. Dat er een verpleegster komt om haar te wassen, bijvoorbeeld. 'Dat is niet nodig', zei ze, 'dat kan ik zelf toch?'
'Ja moeder, maar soms val je terwijl je je wast.'
Van mij aanvaardt ze dat meer dan van mijn zussen."
* Waar is je moeder gevoelig voor? *
"Eén ding: dat de kinderen blijven samenhangen. Dat én de telefoons van mijn broer Paul die in Brazilië woont."
* Je tekent een mild moederportret. Heeft zij geen negatieve kanten? *
"Mijn moeder was waarschijnlijk heel behoudsgezind. Het is met haar kinderen niet helemaal gelopen zoals ze had gewild. Bert en ik bleken twee artistieke buitenbeentjes, maar ze heeft het wel geaccepteerd. We bleven welkom."
* Je (moeder)liedjes zijn gedichten, toch? *
Bij liedjes moet muziek komen. In grootse gedichten zit muziek. Da's het verschil. Rutger Koplands ontroerende gedicht 'Jonge sla' zouden ze moeten voorlezen op het proces Dutroux en daarna onmiddellijk de debatten stoppen en straffen uitspreken. Mijn moeder is een zoon verloren. Die mensen zijn een dochter verloren en ze weten niet eens in welke omstandigheden."
* Wat doe je als Elisabeth straks honderd wordt? *
"Dan gaan zij en ik gewoon in de natuur zitten bij mooi weer. Onder een klein afdakje, voor wat schaduw. En dan mag ze in slaap vallen, voor altijd. Geen probleem. Ik wil mijn moeder niet zonodig in het Guinness Book of Records krijgen..."
(journaliste: Martine Cruyt)
|
| "Tegenlicht is een mooie plaat, een van Verminnens betere" | Bron: De Standaard (22/10/2003)
Uit 'De Standaard': 'Het credo van Verminnen'
...Hierover gaan de liedjes op 'Tegenlicht': de idealen van de jaren zestig zijn op teleurstellingen uitgelopen, vriendschappen konden niet uitbloeien, van zijn vader heeft hij niet echt afscheid kunnen nemen. Het is een verslag van wat de 'rat race' hem aangedaan heeft. "Je kent de volle agenda. Je dochter wordt 17 en je vraagt je af wat je tot nu toe aan haar leven hebt bijgedragen."...
..."Wie de waarheid zegt, krijgt er nog steeds van langs", zingt hij boos in een bedrieglijk stukje zuiderse swing. "De mensen van mijn leeftijd hebben nu de macht en moet je zien hoe ze hun idealen verloochend hebben", zegt hij. "De hypocrisie regeert. We leven in de oude maatschappij met een ander omhulsel. Ik heb nog gezongen voor 400.000 mensen die betoogden tegen de raketten en de volgende dag werden ze gewoon geplaatst." Daarom staat hij op een podium, zegt hij. "Om het hen te zeggen. Ik ben ten dele een protestzanger. Al vermoeit het wel."...
...Valt het mee om als zanger ouder te worden in Vlaanderen? Hij wilt de vraag en citeert zijn vriend Wannes Van de Velde. "Voor de media is het een probleem. Tussen je vijftigste en zestigste ben je te oude. Daarna word je plots een monument, maar dan heb je geen zin meer."
...Tegenlicht is een mooie plaat, een van zijn betere. Ze bevat dertien liedjes waarin het hele stilistische palet van de zanger aan bod komt. Blues en chanson, swing en zuiderse ritmen uit Kaapverdië en Argentinië. Wat Keltische kleuren door het fluitwerk van de nieuwe aanwinst Peter Derudder. En zowaar een stukje fanfare in het slotnummer, waarin hij mijmert bij de herinnering aan het dorpsleven van vroeger..." Op het liedje 'Een beetje dorp' hoor je een fanfare, hé. Wel, die is ingespeeld door twee mensen. We zijn om 10 uur begonnen, om 14 uur was alles klaar, om 16 uur stond mijn stem erop en was de track gemixt. Ik denk dat Piet Goddaer flauwvalt als hij zoiets hoort."
Hij is van de oude stempel, in de positiefste zin. Drie keer tekent hij op zijn nieuwe plaat types uit die in de samenleving van vandaag als losers gezien zouden worden, maar die Johan Verminnen met tederheid bekijkt: de dronkaards die gelukkig zijn in hun beperkte werled, de straatmuzikant die in het zuiden rondtrekt, de oude jazzmuzikant in zijn kleine clubs. "Ze zijn vrij, ik niet. Ik heb mijn hele slakkenhuis steeds mee. Artiest, bedrijfsleider, gesprekspartner. Ik leef in een soort gevangenschap."
Eigenlijk zijn zijn thema's steeds dezelfde. "Ik heb die gedachten altijd gehad", zegt hij. "Stef Bos zei het me zopas nog, over deze plaat: dat ik nu in het net gemaakt heb wat ik vroeger in het klad deed."...
(door Peter Vantyghem, foto Herman Ricour)
(22.10.2003)
|
| Uit interview Johan Verminnen in Goed Gevoel, oktober 2003 | Bron: Goed Gevoel oktober 2003 (20/10/2003)
“…Tegenlicht is het licht dat van achter een object of persoon komt, het licht dat het publiek belicht. Het publiek is voor een artiest het allerbelangrijkste. Zonder dat publiek bestaat een artiest niet meer. Dat klinkt misschien wat zeemzoeterig, maar als we de situatie van vandaag bekijken: muziek komt op televisie nauwelijks aan bos, is in de media vrijwel aanwezig, wordt bedreigd door piraterij, thuis kopiëren, frauduleuze verkoop van gekopieerde cd’s… Dan zou muziek vandaag toch niet overleven, mocht het publiek er niet zijn? Dat is de boodschap die ik wil brengen. Een hommage aan het publiek dat in de zaal zit en een ticket koopt. En dat al ongeveer 34 jaar voor mij doet…” …
Goed Gevoel:“Je geeft jezelf erg bloot in je liedjes. Vind je dat niet moeilijk?” “Neen, dat is niet moeilijk. Integendeel, je kent jezelf. Je bent kwetsbaar, dat is waar. Op mijn nieuwe cd staat een lied ‘Dit is mijn leven’: dit is mijn leven, ik erken het. Dit is mijn leven, onvolmaakt, maar ik heb het zelf zo gemaakt… Het is een van mijn basisliedjes. Ik ben ervan overtuigd dat ik mijn leven zelf heb gemaakt zoals het is, dat het niet de anderen zijn. Met die gedachte zijn de meeste mensen het niet eens. Zij zeggen: het is door omstandigheden. Ik pleit geen verzachtende omstandigheden…”
Goed Gevoel:“Welke dromen moet jij nog realiseren?” “Toen ik een jongen van 10 was, speelde ik al in een groepje, het Klaverke. We waren met zijn drieën, speelden gitaar en zongen covers van Boudewijn De Groot en Bob Dylan. Mijn droom was toen van zingen mijn beroep te maken. Die droom heb ik kunnen verwezenlijken, maar die droom wordt nog elke dag bedreigd. Ik leef in een soort jungle. Ik ken de jungle. Ik kan overleven, maar ik weet ook dat zelfs diegene die de jungle het best kent, in de rug kan worden aangevallen door een poema. Ik droom ervan op een waardige manier mijn droom te kunnen voortzetten…”
(verder in het interview: Johans favorieten, Johans favoriete voorwerpen,…)
(* door Sylvie D’Hoore, foto’s Annick Geenen)
(selectie 19.10.2003)
|
|
|