Onder mijn Acacia
Onder mijn Acacia
Veertig jaar geleden schonk een vriend mij een acacia. Samen met mijn toenmalige buurman, Wilfried, plantte ik het frêle boompje in mijn tuin. De volksspreuk ‘boompje groot, manneke dood’ werd bijna waarheid, gezien mijn medisch scabreuze wedervaren van het afgelopen jaar. Want zie, dat tengere boompje ontwikkelde zich tot een stevige, prachtige boom, waar ik erg trots op ben en in wiens schaduw ik menig lied en menige tekst schreef!
Mijn herbouwde repetitiekot, dat ik inrichtte als mijn huidige, knusse verblijf, bracht mij vaak op de gedachte het de naam ‘Onder mijn acacia’ te geven. Zo perfect en harmonieus passen beide bij elkaar. De wind ruist hier als muziek door zijn weelderige bladeren en zijn trots opgeheven kruin reikt fier naar de hemel. Achter de boom ligt een uitgestrekt vergezicht tot aan het kanaal tussen Gent en Brugge, waar de daken van aken traag en onvervaard voorbijschuiven als in een gedicht van de onvolprezen Verhaeren.
Als ik ’s ochtends bij het ontwaken en een eerste koffie de lage mist over het landschap langzaam zie optrekken, lijkt het of zijn zacht wiegende takken mij verzoenen met het leven en de orde van de komende dag. Wat heb ik het zicht op het wijde landschap en de troostende acacia tijdens mijn verblijf in ziekenhuisbedden gemist! En dessous de mon arbre, j'essaie de vivre heureux!
Veertig jaar later besef ik meer dan ooit hoe blij ik moet zijn met het mogen plukken van de dag en van kleine, maar oh zo belangrijke dingen. Moet ik nu vijfenzeventig worden om dat eindelijk te beseffen? Awel, merci!
Als ik de verzamelde blogs die ik nu publiceer ‘Onder mijn acacia’ noem, begrijp je waarom. Hij inspireerde mij om te schrijven wat ik deed en troostte mij als ik leed, en daar kan de grote K een punt aan zuigen!
De ongenode gast
Na een endoscopie opende ik mijn ogen. De dokter stond naast mijn bed en zei: “We hebben een gezwel ontdekt en moeten onderzoeken of het kwaadaardig is.” Met deze verontrustende boodschap reed ik als in een roes naar huis.
Twee dagen later werd ik opgebeld door een medewerkster van het UZ. Ze vroeg me om die middag om drie uur bij de oncoloog langs te komen. “Dus ik heb kanker?” vroeg ik. “Heeft de dokter je dan niet verwittigd?” vroeg ze, waarna ze in tranen uitbarstte. Ik troostte háár en zei: “Ik kom wel.”
Die middag reed mijn buurman mij naar een van de zwaarste en meest ingrijpende gesprekken uit mijn leven. De dokter vertelde uitvoerig over de te volgen procedure: een PET-scan, de eerste vier chemokuren en daarna een eventuele operatie, afhankelijk van de uitslag van de scan. Ik duizelde; het leek alsof de vaste grond onder mijn voeten weggleed. Dit was mijn ontmoeting met de ongenode gast: de grote K.
Na de PET-scan legde de arts mij uit dat ik, door de afwezigheid van uitzaaiingen, in aanmerking kwam voor een operatie, indien ik daar toestemming voor gaf. Omdat ik al veel vrienden heb verloren aan die vreselijke ziekte, begon een loodzwaar wikken en wegen om dit dilemma op te lossen. Na een diepgaand gesprek met de oudste zoon van mijn helaas overleden zus – een man met veel wijsheid en empathie – besloot ik om voor een operatieve ingreep te kiezen, omdat mij dat de enige hoopvolle weg leek die mij nog restte.
De ongenode gast, de grote K, zat in mij. Hoe kreeg ik hem weer weg? Dat was het begin van het verhaal van dit zondagskind, op een maandag geboren.
Johan Verminnen
Het boek 'Onder mijn acacia' kan aangeschaft worden via onze online shop. Klik hier